Kerkgeschiedenis Twente. Deel 1 . 2 en 3.

 

                                                                      Deel 1.

 

De ontwikkeling en de voortgang van het evangelie naar Twente.

Het Begin.

Om de gang van het evangelie naar Twente, in het bijzonder naar Enschede en Glanerbrug te volgen, is het aan te bevelen om eerst de drie hoofdstukken van de gang van het evangelie naar Tiel te lezen. Van daaruit kunnen we dan volgen hoe het naar Twente is gegaan.

Van de vroege middeleeuwen is van Twente weinig bekend. Het ligt dan ook voor de hand dat er ook weinig of vrijwel niets te melden valt van de vroegste kerkgeschiedenis van deze streek. Maar gelukkig weten we wel wat. In de 8e en 9e eeuw kwam Twente onder de macht van de Franken. Vanaf die tijd kon dan ook de kerstening van deze streek in volle omgang plaats vinden.

We zagen in hoofdstuk 3 van de gang van het evangelie naar Tiel dat de Tielse Wereldkroniek melding maakt dat omstreeks het jaar 690 de Bisschop Egbert van Northumbria de zendeling Willibrord en zijn helpers naar deze streken stuurde. In Utrecht stond naast de dom ook de Sint – Salvatorkerk. Om deze kerken heen waren tal van gebouwen geplaatst. Dit gebouwencomplex fungeerde als woon en studiecentrum voor een groot aantal missionarissen. Vanuit dit centrale punt trokken de zendelingen het land in. Vanwege het feit dat het reizen toen echt niet comfortabel was bouwden de zendelingen op tal van plaatsen een soort van ondersteuningspunt. Dat waren sobere kerkgebouwtjes en grote woonpanden die gemeenschappelijk werden bewoond. We kunnen hier denken aan de eerste kloostervorm in deze streken van ons land. We zien dat gebeuren in Elst Gld. (726), St. – Odiliënberg (ca 750), Dokkum (754), Deventer (777), Oldenzaal (954). ( zie: Nederlandse Religiegeschiedenis van Joris van Eijnatten en Fred Lieburg.) We zagen ook dat Willibrord en Suitbert in de Betuwe het evangelie brachten. Wij weten ook dat Lebuïnus naar Deventer is gegaan. Deze werkte voornamelijk in de IJsselstreek. Hij heeft gemeenten gesticht in Wilp en Deventer. Lebuïnus zijn echte naam was Liafwin. Liafwin betekend zoiets als: Lieve vriend. Lebuïnus overleed in het jaar 773. Hij is in de door hem gebouwde kerk te Deventer begraven. Lebuïnus beschouwde Deventer als uitvalsbasis van het zendingswerk om het Saksische gebied te bewerken. Hij manifesteerde zich daarom in het centrum van het heidendom. Dat was in de centrale cultusplaats bij Marklo, daar waar de rivier de Weser het Wesergebergte doorsnijd. Het heet Porto – Westfalica.Onder de aanwezigen waren er die hem wilden doden. Maar Bato, een belangrijk man daar, nam het voor hem op. Zo kwam het dat het voor Lebuïnus goed afliep. Het betekende wel dat in 772 de Saksen de kerk in Deventer verwoestten. Karel de Grote strafte dat echter af met een veldtocht tegen de Saksen. De volgende jaren waren er steeds gevechten in de IJsselstreek en Drente. Maar langzamerhand breidde Karel de Grote zijn invloed naar het oosten uit. Willehad, die werkzaam was in de omgeving van Dokkum, ging ook naar het Lauwersgebied. Maar moest noodgedwongen naar Drente vertrekken. Zijn werk tussen de Eems en de Lauwers is daar overgenomen door Liudger. Dat was de eerste zendeling van eigen bodem. Hij kwam uit een Fries geslacht dat woonde in de Vechtstreek bij Utrecht. Van Liudger is bekend dat hij gedwongen bekeringen in zijn hart afkeurde. Na de doop van Widukind in 792 verdeelde Karel de Grote het gebied van de Saksen in 8 missiegebieden. Liudger kreeg de Achterhoek en een groot deel van Westfalen. In 793 bezocht hij de nederzetting Mimigernaford geheten. Daar bouwde hij o.a. een klooster. Naar dat klooster is later de plaats Munster genoemd. Liudger stichtte o.a. kerkjes te Zelhem en Wichmond. Vanwege zijn heilige gedrevenheid heeft Liudger heel veel gereisd. Overal predikend en kerkjes stichtend. Hij heeft ook veel gewerkt onder de Friezen. Terug naar het zendingswerk. Mogelijk zijn met Lebuïnus meegegaan de priester Marcellinus en de diaken Adelbert. Immers, ze spraken ook de Saksische taal. Deventer werd als een soort uitvalsbasis voor de verdere verkondiging van het evangelie. We komen Marcellinus weer tegen in Ootmarsum. Ootmarsum is een van de oudste stadjes van Twente. Rond 1300 kreeg het stadsrechten. In het jaar 126 na Christus is het gesticht door de Frankische koning Othmar. Othmarsheim noemde hij het. Circa 770 bouwde Marcellinus en de zijnen daar een houten kerkje. Op deze plaats staat nu de R.K. kerk. Marcellinus (Marchelm) was zowel werkzaam in Twente als ook in Drente. Hij is in het jaar 740 tot priester gewijd, en is circa 775 overleden. Hij heeft o.a. gewerkt in Deventer, Oldenzaal, Coevorden en Markelo. In Boekelo is een parochiekerk naar hem genoemd. En in 1920 is in dezelfde plaats een school gebouwd, welke zijn naam kreeg. Tussen 1930 en 1965 werden op de zondag nog na het feest van St. Marcellinus in en om de kerk te Boekelo een processie gehouden. Ootmarsum lag rond 700 aan een kruispunt van wegen. Het was dus niet voor niets dat Marcellinus en de zijnen deze plek hadden uitgekozen voor hun arbeid. Het lag aan de belangrijke handelsweg van West – Nederland naar Noord – Duitsland. Deze handelsweg werd gekruist door de handelsroute van de Noord – Zuid verbinding. Die liep via Coevorden Hardenberg. Mede daardoor is er te Ootmarsum een levendige handel en nijverheid ontstaan. Vanuit Ootmarsum zijn er in de wijde omgeving diverse kerkjes gesticht. Te weten in Almelo in 1236, Tubbergen circa 1280, Denekamp circa 1150, onder de zorg van Ootmarsum viel voordien het vrijwel gehele Noordoosten van Twente. Ook Uelsen, Veldhuizen en Emmelenkamp vielen daar vermoedelijk onder. Deze plaatsen lagen in het graafschap Bentheim (Dld). Ook daar zijn vanuit Ootmarsum gemeenten gesticht. In ieder geval in Uelsen. Wanneer in Enschede de kerk is gesticht, en door wie, is niets met zekerheid te zeggen. Ds I. de Wolff denkt van in de 9e eeuw. Het Licht op de Kandelaar. Ds. I de Wolff.

In Oldenzaal was er in het jaar 954 dus al een kapittelkerk. Dat was gebeurd door bisschop Balderik van Utrecht. Dat hield in dat Oldenzaal het kerkelijk centrum van de Twentse streek werd. Maar het eerste kerkje moet al zijn gebouwd in de 8e eeuw. Dus 700 en nog wat. Oldenzaal betekent zoiets als: ‘Oude woonplaats of stede.’ Almelo is ontstaan aan een landweg die het watertje de Aa overstak. In Almelo is de kerk ontstaan in 1236 als burchtkapel van de Heren van Almelo. Dat schijnt een waterburcht te zijn geweest. Almelo is gekerstend door de kerk van Ootmarsum. Dat gebeurde circa 1236. We moeten ons van die plaatsen van toen niet al te veel van voorstellen. Veel had het niet te betekenen. Immers was het inwonertal van Twente in de tijd van Karel de Grote circa 8 a 9000. Een dorp telde in die tijd amper 100 inwoners. Maar al leek het openbare leven een christelijke maatschappij, toch was de bevolking als zodanig nog lang niet christelijk. Het was min of meer een vergermaanst christendom. Het denken was niet een persoonlijk denken, maar een volgen van de meerderheid. En, van het volgen van de machtige leiders op dat moment. Karel de Grote regeerde met harde hand. De Saksen moesten het heidendom afzweren. En het christendom aanvaarden. Pas toen Karel de Grote de leider van legerleider van de Saksen had verslagen kwam de kentering. Het evangelie werd dus vooral van boven opgelegd. Zo zal het ook in deze contreien zijn geweest. En de kerk aanvaarde immers de indeling van de rangen en standen in de nieuwe maatschappij. Er kwam een enorme verwijdering tussen de hoge en lage geestelijkheid. De bisschoppen in die tijd waren niet alleen een kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder, maar ze waren vaak ook het hoofd van een wereldlijke staat. Er was dus een behoorlijke verstrengeling van kerk en staat. Maar toen het staatsgezag van het Nedersticht en Oversticht overging aan Karel V, verloor de bisschop zijn enorme macht. Het Nedersticht is de provincie Utrecht. Het Oversticht de provincies Overijssel, Drente en het gebied om de stad Groningen. Het betekende echter niet dat de bisschop geen invloed meer had in bepaalde zaken. Immers kon de bisschop op politiek gebied zijn invloed laten gelden doordat hij vaak contact had met invloedrijke personen. Wie meer wil weten over de geschiedenis van de kerk in deze streek, kan ik van harte het boek, ‘Twaalf eeuwen Katholiek Twente van G.J.I. Klokhuis,’ aanbevelen. Dit boek wordt uitgegeven door de Stichting Twente 2000. Vormgeving en druk: PrintPartners Ipskamp B. V. Enschede. In het dagelijkse leven was de kerk en het geloof altijd, op de een of andere manier aanwezig. Zoals de geboorte en de doop van een kind, het huwelijk en het overlijden van iemand. Altijd speelde de kerk hierin een behoorlijke rol. Ook in het onderwijs was de kerk actief. Karel de Grote was een groot stimulator voor christelijk onderwijs. Ook de ziekenzorg kwam van de grond. In de dertiende eeuw ontstonden op diverse plaatsen een Gasthuis. Op tal van plaatsen in Twente vond men ze. In Enschede, Almelo, Delden, enz. De Medicijnen die in dergelijke tehuizen werden gebruikt kwamen altijd uit een kloostertuin. De preek duurde, circa 1500, in Oldenzaal, evenals in Tiel, meestal één uur. Dat was van 8 tot 9. Mogelijk was dat een Godsdienstoefening tussen de vroeg en hoogmis. Er was in die tijd ook een behoorlijke verering van belangrijke relieken. Dat waren één of meerdere lichaamsdelen van één of ander heilig persoon. In Oldenzaal was dat op het feest van Sint Plechelmus. Dat was op 15 juli. Deze processie was aanbevolen door David van Bourgondië. Het is nog maar de vraag of er in sommige gevallen wel een echte reliek werd mee gedragen in een processie. Het is vrijwel met zekerheid te zeggen dat Sint Plechelmus nooit één voet heeft gezet in Twente, laat staan in Oldenzaal. Plechelmus is op 15 juli 732 te Odiliënberg bij Roermond overleden. 15 juli is dan ook een feestdag aan hem gewijd Bisschop Hungerus, die vanwege ernstige onlusten met de Noormannen, in 857 het bisdom Utrecht moest verlaten, kreeg van keizer Lotharius het klooster Sint Odiliënberg. Daar lagen ook begraven Sint Plechelmus en zijn medewerkers Odgerus en Wiro. Toen later de situatie weer wat veiliger was ging de bisschop naar Deventer. Hij nam de relieken van de drie zendelingen mee. Bisschop Balderik verdreef begin 900 de Noormannen. Hij herstelde het hiërarchisch kerkverband. O.a. werden de drie zendelingen Wiro, Odgerus en Plechelmus heilig verklaard. De kerk van Oldenzaal kreeg een deel van de relieken o.a. het hoofd van Plechelmus.

 

Het gaat niet goed in de kerk. Er kwam een enorme verering van heiligen op gang. Processies van welke heilige dan ook werden regelmaat. De Mariaverering was al al ingeburgerd. Ook werden relikwieën vereerd. De Aflaathandel.

Het zuivere Woord over het Middelaarswerk van de Here Jezus Christus werd al minder en minder gehoord in de kerk.

 

Twaalf eeuwen Katholiek Twente van

G.J.I. Klokhuis

Het Licht op de Kandelaar.

Ds. I de Wolff.

Kroniek van Nederland.

Nederlandse Religie Geschiedenis

Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg.

Internet.

Kerkelijke verhoudingen in Nederland voor de Reformatie.

Drs. R. R. Post.

Nederlandse Kerkgeschiedenis

Dr. Otto J. de Jong.

 

 

 

Egbert A van de Haar, Tiel. 2007.

 

 

                           Kerkgeschiedenis Twente. Deel 2.

 

 

 

     De voorreformatie. De broeders des gemenen levens. De Moderne Devotie.

 

                           Geert Grote * 1340 - † 1384.

 

 

 

De Reformatie kwam niet onverwachts. Er ging heus wel wat aan vooraf. We hebben het dan over de Fraterhuizen. Deventer , Zwolle, Kampen. Groningen gesticht circa 1435.

 

De oprichting van de Fraterhuizen zijn van grote betekenis geweest voor kerk en volk in ons land. Ze hebben weer de Bijbelse boodschap in de kerk gebracht. Frater betekent broeder. De Fraterhuizen kwamen op uit het volk. Ook wel de ‘broeders des gemenen levens’ genoemd. Ze woonden samen zonder dat ze tot een geestelijke orde behoorden. Ze gaven onderwijs aan de bevolking. Legden zich toe op de praktische levenswandel. In Enschede heeft niet een dergelijk Fraterhuis gestaan. Maar, volgen Ds. I. de Wolff, mogelijk wel het Steffensvicarie in 1053. Dat hield zich bezig met de opleiding van de geestelijke stand. En het St. Annavicarie voor schoolonderwijs en opleiding voor koorknapen. De invloed van dergelijke Fraterhuizen zijn zeker ook van invloed geweest in Twente. Deze stichtingen met hun leidslieden zijn van enorme betekenis geweest voor de Reformatie

 

                                         Geert Grote. *Oktober 1340 - † 1384.

 

                                                

 

                                              Gedeelte illustratie J.H. Isings.

 Uit Toestanden en gebeurtenissen. Vaderlandse geschiedenis. B. Laarman.

 

 

 

Geert Grote werd in oktober 1340 in Deventer geboren als burgemeesterszoon van Werner Grote en Heylwig van der Basselen.

 

Het heeft Geert aan niets ontbroken in zijn jonge leven aan de Brink. Hij ontdekte al gauw dat zijn kleren van een mooie kwaliteit was dan dat van zijn leeftijdgenootjes in de stad. Hij speelde al gauw de baas over hen. Geert ging studeren aan de kapittelschool van de Lebuïnuskerk. Daar leerde hij lezen en schrijven. Ook de gezangen en de gebeden kon hij al vrij snel uit zijn hoofd opzeggen. Na enkele jaren kon men op deze school hem niets meer leren. Hij ging dan ook naar een andere school in…. Aken. Daarna naar Keulen. En vervolgens naar Parijs. Op zijn 18e was hij al reeds Magister ( Doctor) in de vrije kunsten ( wijsbegeerte). Maar zijn studiehonger was nog lang niet gestild. Hij studeerde medicijnen, rechten, talen (Hebreeuws), sterrenkunde, en….de zwarte kunst (toverkunst). Hij was een van de allergrootste geleerden uit zijn tijd. Geert Grote leefde in weelde en genot. Op zijn 34e kwam er een kentering Hij ontmoete Hendrik van Calcar, een studiegenoot uit Parijs. Die vertelde hem dat hij een ander mens moest worden. ‘Leef niet meer voor jezelf, leef voor Christus en stel al je gaven in Zijn Dienst, dan zul je de gelukkigste man van de wereld worden. Deze woorden hebben diepe indruk gemaakt op Geert Grote. Hij bedankte voor alle baantjes die hij had. De armen in Deventer mochten in zijn huis wonen. Een paar kamertjes hield hij voor zichzelf. Hij probeerde heel dicht bij God te leven. Het was natuurlijk heel jammer dat zo’ n geleerde man een teruggetrokken leven leidde. Dat vonden een paar monniken ook. ‘U moet gaan prediken, zeiden zij. U moet het land door om mensen op te wekken dat ze zich tot God bekeren. U kunt dat beter dan wij.

 

Maar dat wilde hij niet. ‘Voor mijn hoed vol goudguldens wil ik geen priester worden. Toch werd hij diaken. Van de bisschop van Utrecht kreeg hij vergunning om te preken in het gehele land. Van zijn huis maakte Geert een zusterhuis. Die konden daar onder leiding van een meesteres een vroom en toegewijd leven leiden. Geert trok zelf het land door. Als een tweede Johannes de Doper trad hij op. Hij sprak op felle bewogen toon. Niets en niemand spaarde hij. Hij was een boetprediker. Duizenden mensen in het land bekeerden zich op zijn prediking. Hij was een geweldig redenaar. Toch sprak Geert van de kerk zelf geen kwaad. Hij was geen hervormer zoals Luther en Calvijn. Maar tegen de geestelijkheid in het land trok hij fel van leer. Op een dag kwam een zekere Floris Radewijnszoon bij Geert Grote. ‘Meester als wij eens allemaal gingen wonen in één huis. En als we dan eens leefden van onze gemeenschappelijke verdiensten? ‘ Geert grote vond dat wel een goed idee. Zo kwam er in de stad Deventer een huis waar jonge mannen samen woonden onder leiding van Floris Radewijnszoon. Liefde en de eenvoud van het geloof heerste hier. Zij werden de Broederschap des gemenen levens genoemd. Het was geen klooster of een nieuwe kloosterorde. Men was vrij om weer weg te gaan. Jarenlang heeft Geert Grote, nadat hem het preken door een aantal priesters en de bisschop onmogelijk was gemaakt, in alle eenvoud te midden van zijn metgezellen geleefd. In het jaar 1384 werd hij ziek. Hij overleed aan de pest. Maar onder leiding van Floris Radewijnszoon ging het werk gewoon door. Op verschillende plaatsen in het land kwamen van deze Fraterhuizen. Circa 1400 waren er 19 Fraterhuizen in Nederland, het Duitse Westfalen en de overige Duitse landstreken. Toen honderd jaar later de Reformatie kwam vond de nieuwe leer bij de broeders en het kerkvolk gretig ingang.

 

 

 

                                          Wessel Gansfort. *1419 - † 1489.

 

                                              

 

                              Een illustratie uit Dispereert niet. van H. en A. Algra.

 

 

Wessel is in 1419 te Groningen geboren. Hij woonde als leerling in het Zwolse Fraterhuis. Zodoende heeft hij ook Thomas à Kempis leren kennen. Wessel is een Middeleeuws geleerde. Toch stond ook hij onder de invloed van de Moderne Devotie. Hij was lijfarts van de bisschop van Bourgondië, en vond zodoende bescherming tegen de inquisitie. Ook hij had kritiek op verschillende zaken in de kerk, zoals de heiligenverering, aflaathandel en dergelijke. Hij stelde tal van zaken aan de orde. En hij was voor een gedegen kennis van de Bijbel ook voor het gewone volk. Hij was voorstander van christelijk onderwijs op de scholen. In Aduard had hij een groep van leerlingen rondom zich heen verzameld. Ook moet Wessel Gansfort gezien worden als een voorloper van de Reformatie. Hoewel bij hem niet direct de rechtvaardiging uit het geloof zonder werken van de wet mogelijk is begrepen. Hij schreef vrijwel altijd over godsdienstige onderwerpen. De standpunten zijn later door de Reformatie voor een belangrijk deel overgenomen. Verder waren er ook nog Agricola (Roelof Huisman) en Erasmus.

 

Dergelijke mannen moeten worden beschouwd als voorlopers van de Reformatie. Toen Maarten Luther openlijk in het strijdperk trad liet dit ook Overijssel niet onberoerd. Deze voormannen hebben, met al hun beperkingen en onvolkomenheden het zaad van het evangelie gestrooid wat later zulke rijke vruchten zou opbrengen van geloof en bekering. We kunnen dus bij de Reformatie dan ook echt spreken van een grote volksbeweging. Deze Fraters hebben op duidelijke wijze de ogen van het volk geopend.

 

 

 

Literatuur: In volle wapenrusting. J van Hulzen. L. Keemink. Anne de Vries.

 

Het Licht op de Kandelaar. I.de Wolff.

 

Dispereert niet. Deel 1.Twintig eeuwen historie van de Nederlanden. A. en H. Algra. Uitg. T. Wever, Franeker.

 

 

 

 

Egbert. A. van de Haar, Tiel. februari 2008.

 

 

 

Kerkgesch. Twente. Deel. 3.

 

Deel 3.

 

De Hervorming in Twente , Enschede.

 

De Hervorming in Twente is heel geleidelijk gegaan. Het geestelijk niveau van de doorsnee kerkmens was in die dagen van een bedenkelijk laag peil. O, ja, men geloofde wel in God. Maar de angst voor de hel was ook heel groot. De ideeën van Luther, en later Calvijn drongen maar mondjesmaat door. Wel waren er mensen uit Zwitserland en Duitsland hier komen wonen die er andere ideeën op na hielden. Dat waren de zogenaamde Wederdopers. Deze Wederdopers hebben in Twente de eerste contacten gelegd met de Reformatie. Onder deze, overigens kalme aanhangers, bevonden zich ook zeer radicale figuren. Tegen deze radicale figuren trad Karel V hard op. Hij vaardigde strenge plakkaten uit waarin werd meegedeeld dat elke afwijking of overtreding zeer streng zou worden gestraft. Vooral toen er in die groepen door sommigen werd gepreekt dat er een gemeenschap van goederen behoorde te zijn. Een leven zonder wet en dergelijke. Dus ook zonder overheid. Het ging hier dus om een zeer radicale groep. Als gevolg van de ongeregeldheden die deze groep veroorzaakte, maakte dat de overheid, in het algemeen, veel strenger ging optreden tegen de Hervormingsgezinden. Veelal wachtte hen de brandstapel. Zo ook de beide schoonzusters Maria en Ursula van Beckum. Op 13 november 1544 werden zij te Delden op de brandstapel verbrandt. Een Pilatusrol werd toen gespeeld door de Drost van Twente Gosen van Raesfelt door advies te vragen het Ridderschap en Steden van de provincie Overijssel. Deze legden de verantwoordelijkheid weer terug bij de Drost. Waarna het vonnis werd voltrokken. Later is dezelfde Drost Gosen van Raesfelt, toen de politieke bordjes waren verhangen, over gegaan naar de gereformeerde leer. Dat betekende dat al zijn onderdanen ook mee gingen in die leer.

 

De Hervorming in Twente is voor een deel met geweld ingevoerd. In 1597 trok Prins Maurits met zijn leger naar Twente. De pastoors werden afgezet, en er kwamen dominees voor in de plaats. Spinola heroverde in 1605 Oldenzaal op het Staatse leger. In het twaalfjarig bestand werd bepaald dat de stad R. Katholiek zou blijven. Na het bestand, in 1621, kwam Ernst Casimir van Nassau Duetz in 1626 en verjoeg de Spanjaarden voorgoed. Toch heeft het verblijf van de Spanjaarden er mogelijk wel toe geleid dat het Noord oosten van Twente daardoor hoofdzakelijk R. Katholiek is gebleven. Dat kwam ook wel omdat de schrik voor de Spanjaarden er behoorlijk in zat bij de Twentse bevolking. Het westelijk deel van Twente ging, voor het overgrote deel, over naar het Protestantisme. Dit hoofdzakelijk onder druk van de adel.

 

Na circa 1560 kwam er evenwel een enorme golf van belangstelling over ons land voor de nieuwe leer. Een groot aantal mensen gaven blijk daarvan aanhanger te zijn, terwijl de Calvinisten er gebruik van maakten om daar de leiding in te nemen. Alleen Overijssel niet. Dat sprak nog steeds van de Augsburgse confessie. Dat was een belijdenisgeschrift van Luther en Melanchton . Het was een wat gematigde toon opgesteld. Beiden hoopten op deze manier toch een verzoening te kunnen bewerkstelligen. Toch zaten daar nog tal van dwalingen in die ook heersten in de R.K. kerk. In dit licht bezien is het niet zo vreemd dat in Twente de Reformatie voor een deel van boven af is opgelegd. Zie ook: Kerkelijke verhoudingen in Nederland voor de Reformatie, van Dr. R. R. Post.

 

Hoe kwam het dat de Reformatie geen vaste voet kreeg in Twente? Toen Prins Maurits in 1597 Enschede, Oldenzaal en Ootmarsum veroverde lag naar een Gereformeerd Twente geheel open. Maar door het gebrek aan een Gereformeerd kader dat de leiding kon overnemen, was niet, of niet voldoende aanwezig. Er kwam wel een classis Oldenzaal tot stand. Maar deze heeft niet die invloed gehad zoals in de andere provincies van ons land.

 

In Holten ging pastoor Hermannus Bushof over naar de Reformatie. Later was hij mogelijk de eerste predikant van Holten.

 

Toen op 19 oktober de stad Enschede verlost was van het Spaanse regime was ook het vrijheidsuur van de kerk aangebroken. In Enschede stond pastoor Wolter Bruns. Bruns voelde weinig voor de nieuwe leer. In zijn preken kon hij het niet nalaten om telkens op de ketters te schelden, terwijl zijn toehoorders wel voor de nieuwe leer waren. Dat werkte natuurlijk helemaal niet. Op een vergadering met richter Rouckema werd besloten om aan Berend ter Avermaat op te dragen hier een eind aan te maken. Tegen Kerst 1597 werd Bruns van de preekstoel afgeleid. Dit uit naam van de kerkenraad en kerspelsluyden. Ter Avermaat werd daarom bij de Drost Mulert te Oldenzaal ontboden. De drost verzocht hem om de pastoor nog een half jaar te dulden, en dan een beslissing te nemen. Bruns echter ging voort op de door hem ingeslagen weg.

 

Op 16 januari 1598 besloot de magistraat van Deventer om Pibo Ovatius naar Enschede te sturen. Hij zou bij provisie preken. Dat wil zeggen: Als hij voor de gemeente beviel zou hij voor vast aan haar worden verbonden. Pibo Ovatius beviel echter al gauw. Na enkele weken werd hij voor vast aan de gemeente verbonden. Omdat de door de oorlog verarmde stad niet voldoende traktement kon betalen, besloot de classis Deventer de kerk van Enschede te combineren met Losser. Dat kwam ook goed uit, want in Losser was het jaar daarvoor de pastoor overleden. Toch werkte het niet goed, want het was voor de mensen in Losser te ver om op zondag van Losser naar Enschede te lopen. Pibo Ovatius heeft slechts anderhalf jaar te Enschede gestaan. In juni 1599 vertrok hij naar Deventer. Als motief gaf hij op dat Enschede weer door de Spanjaarden was heroverd.

 

Of Enschede werkelijk door de Spanjaarden was heroverd is nog te betwijfelen. Wel is het mogelijk dat een afdeling Spanjaarden hier de omgeving onveilig maakte. Twee jaar bleef de kerk van Enschede vacant. De bevolking schijnt de herderlijke zorg aan ene Johannes van Eeck te hebben opgedragen. Deze van Eeck heette eigenlijk Jan Pannekoek . Deze van Eeck was, evenals de koster, Rooms Katholiek. Van Eeck neigde wel naar de reformatie. In 1601 kwam dominee Adolf Spitzer. Deze vertrok in 1605. In zijn plaats kwam Frederik Kemener die in dat jaar ook weer vertrok omdat de Spanjaarden Oldenzaal hadden heroverd. Toen Enschede ook weer onder de Spanjaarden kwam was het niet meer mogelijk om hier een predikant te benoemen. Maar weer was het Jan Pannekoek die zich het lot van de gemeente aantrok. Zonder te aarzelen kwam hij van Gronau over. Hij begon weer met dopen en huwelijken te voltrekken. Hij wilde niet voor een papistische prediker worden aangezien. Pannekoek was door zijn omgang met dominee Spitzer steeds meer geneigd tot de reformatie over te gaan. De deken van Oldenzaal wilde hem daarom ontslaan. Maar door het in die tijd gesloten Twaalfjarig Bestand ging dat niet door. Enschede werd tot de Staatsen gerekend. Pannekoek noemde zichzelf daarna de predikant van Enschede.

 

In 1614 is Johannes Borch beroepen. En moest Pannekoek weer vertrekken. Dat ging niet zonder slag of stoot. Pannekoek moet voor het landgericht later hebben verklaard dat de nieuwe predikant hem ,Pannekoek die al op de kansel stond, behoorlijk had beledigd en bedreigd. Het ging er allemaal nog niet erg stichtelijk aan toe. De toestand in het land was nog erg verward. Toch is het Woord gezaaid. De Gereformeerde leer is aan genomen. Onze voorouders in Enschede hebben een goede keus gemaakt. God zij dank daarvoor. Ds I. de Wolff zegt in zijn Licht op de Kandelaar: ‘Wie in de dagen van de kerkstrijd een keuze doet, doet dit mede voor het nageslacht’. Toch zal dat Woord steeds weer worden aangevochten. De geschiedenis zal dat leren. Heel vaak komt dat gevaar van binnenuit de kerk zelf. We gaan dan naar de tijd van de Afscheiding.

 

Voor de R.Katholieken is de tijd van de reformatie en daarna een beroerde tijd geweest, zowel landelijk , als ook in deze streek. Vaak werden goederen verbeurd verklaard. Kerken gevorderd etc, etc. Het voert te ver om hier dieper op in te gaan.

 

Literatuur:

 

Twaalf eeuwen Katholiek Twente van G.J.I. Klokhuis.

 

Het Licht op de Kandelaar. Ds. I de Wolff.

 

 

 

Egbert van de Haar,